Anatomie

Basisinformatie Stofwisseling

Stofwisseling (metabolisme); Onder metabolisme wordt verstaan: de som van de chemische veranderingen in levend materiaal, waarin energie wordt getransformeerd.

De belangrijkste energiebronnen zijn de organische verbindingen:

  • Eiwit
  • Koolhydraat
  • Vet.

In het lichaam gelden de wetten van behoud en transformatie van energie van R. Mayer (1851).

 

De internationale eenheid is Joule. 1 Calorie komt overeen met 4,184 Joule.

 

Hoofdstuk 1

 

Bij het bestuderen van de stofwisseling kan met nagaan:

  1. Hoeveel voedsel nodig is voor:
  • Functioneren van het dierlijk organismen (onderhoud, afbraak van oude cellen en opbouw van oude cellen)
  • De groei (vorming van eiwit en vet)
  • De productie van melk, eieren, wol en nakomelingen.

 

  1. Het verbruik van 02, de c02 en CH productie evenals de warmteproductie.
  • De stoffen zelf (aminozuren, vetten en koolhydraten)
  • Hun elementen (C, H, N, O, Ca etc.)
  • De energetische waarde van deze stoffen. (energiehuishouding.)

 

De bruto-energie wordt opgesplitst in:

  • Verteerbare energie
  • Omzetbare energie
  • Netto-energie

 

RQ; Respiratoir Quotient = 1 afgestande CO2 en 1 opgenomen O2 = gelijk = in “steady state”

 

Hoofdstuk 2

 

Vraag 3: Bij een landbouwwerkpaard met een lichaamsgewicht van 400 kg (watergehalte is 60%) steeg de lichaamstemperatuur van 37 graden naar 39 graden, terwijl de warmte-afgifte 17,440 kj bedroeg. Hoe groot is de warmte-productie als gegeven is dat de s.w. van water en droge stof respectievelijk 4,2 en 1,7 J/g bedraagt?

 

De warmteproductie kan berekend worden uit de samenstelling van de ademgassen met behulp van de formule:

Voor zoogdieren:

Warmteproductie = 16,18 + 5,02 – 2,17 – 5,99

 

3,95

DE WARMTEPRODUCTIE IS 21.400!

 

Hoofdstuk 3

 

Regulatie van de stofwisseling.

Het stofwisselingsniveau wordt door twee belangrijke systemen geregeld.

  • Het zenuwstelsel; dit zorgt voor de snelle veranderingen in het stofwisselingsniveau door bijvoorbeeld activiteit van de skeletspier te regelen.
  • Het endocriene stelsel; dat zorgt voor de tragere en langer durende veranderingen in de stofwisseling. De schildklier en de bijnieren zijn speciaal betrokken bij de regulatie van de stofwisseling. Door thyroxine (is een hormoon dat ervoor zorgt dat functies van het lichaam (metabolisme) op de juiste snelheid worden uitgevoerd.) neemt de celstofwisseling toe.

 

  • Musculair metabolisme: non-shivering thermogenesis; warmte door NIET te trillen.
  • Noradrenergische innervatie: de innervatie van een weefsel in het lichaam is de voorziening van dat deel van het lichaam met zenuwen. Noradrenergische is misschien het langzaam reagerende zenuwstelsel? Dat dus niet met adrenaline te maken heeft?
  • Mitochondriën: Mitochondriën bevinden zich in vrijwel alle cellen waaruit ons lichaam is opgebouwd. De mitochondriën zijn de energiebronnen van de cel.  
  • Fosforylering: Fosforylering van een eiwit is het plaatsen van een fosfaatgroep op een van de reactieve hydroxylgroepen (OH) van de samenstelling aminozuren (tyrosine, threonine en serine) van dat eiwit.
  • Hydroxylgroepen (OH): een hydroxylgroep is in de organische chemie een functionele groep bestaande uit een zuurstof- en een waterstofatoom, die via het zuurstofatoom aan de rest van een molecuul vastzit. De afkorting OH verwijst naar; hydrogenium (water) en oxygenium (zuurstof). De hydroxylgroep vormt de basisbouwsteen van suikermoleculen.

 

Hoofdstuk 4

 

Vasten

Als het dier geen voeder opneemt zal de benodigde energie uit eigen weefsels gehaald moeten worden. Daarvoor wordt allereerst het glycogeen aangesproken, gevolgd door vooral het vet en vervolgens de eiwitten, hetgeen leidt tot een sterke afname van het lichaamsgewicht.

 

  • Glycogeen: Glycogeen is een meervoudig vertakt polymeer van glucose, waarbij glucose eenheden (monomeren) aan weerszijden aan elkaar zijn gekoppeld. Het dient als energieopslag bij dieren en schimmels, vergelijkbaar met zetmeel in planten.

 

  • Basaalmetabolisme: De hoeveelheid metabolisch gevormde vrije energie in een organisme in complete rust, wakker, vastend (postabsorptief) en in een thermoneutrale omgeving (dit is gelijk aan de warmteproductie aangezien de uitwendige arbeid monder deze omstandigheden te verwaarlozen is).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *